Een Chinese vriend nodigt je uit voor het eten. De tafel staat vol: acht, negen gerechten, glimmend en geurend. En dan zegt hij: "Sorry hoor, het is niks bijzonders vanavond, gewone kost." Of: "Mijn ontvangst stelt eigenlijk niks voor." Terwijl je net zijn beste servies op tafel ziet staan.
Westerse gasten raken daar geregeld door in de war. Ik ken het gevoel. Je geeft een compliment, en in plaats van een simpel "dank je" krijg je een golf van bescheidenheid terug. "Nee nee nee." "U overdrijft." "Wat aardig van u." Het voelt bijna als tegenspraak — alsof je compliment wordt afgewezen.
Het is geen afwijzing. Het is een principe, en het zit dieper dan beleefdheid alleen.
Vol vat leeg
Kijk naar een Renaissance-schilderij — de School van Athene van Rafaël, of Las Meninas van Velázquez — en je ziet een doek dat tot de rand is gevuld. Mensen, objecten, licht, decor. Niets blijft leeg. Kijk daarnaast naar een Chinees landschap uit de Song-dynastie: een vissersbootje, een enkele figuur, en verder... niets. Nevel, leegte, wit papier. Die leegte is geen slordigheid. Het is compositie. De ruimte die je níet vult, draagt net zoveel betekenis als de ruimte die je wél vult.
Diezelfde gedachte zit achter dat verlegen "het stelt niks voor" aan tafel. In het Chinees heet het 满招损,谦受益 — mǎn zhāo sǔn, qiān shòu yì: volheid roept verval op, bescheidenheid brengt vooruitgang.
Denk aan een kopje thee dat je tot de rand vult. Eén onhandige beweging en het klotst over de rand. Denk aan de volle maan — vanaf het moment dat ze vol is, kan ze alleen nog maar afnemen. Macht op haar hoogtepunt heeft maar één kant op: naar beneden.
Bijna vol, maar niet helemaal
Mooi is dat dit principe letterlijk terugkomt in de Chinese kalender. Onder de vierentwintig zonnetermen — de oude indeling van het jaar in landbouw- en seizoensfasen, die ook in de qigong-praktijk vaak als referentiepunt dient — zit er een die Xiǎomǎn heet: "kleine volheid." De graankorrel is bijna rijp, maar nog niet helemaal. Het water stijgt, alles beweegt naar overvloed toe. Maar let op: er bestaat geen tegenhanger die "grote volheid" heet. Die stap wordt in de kalender bewust overgeslagen. Het maximum wordt nooit benoemd, laat staan gevierd. Volheid is het punt waarna het alleen nog bergafwaarts kan.
Ruimte laten
Ik moet hierbij denken aan iets dat elke taichi-beoefenaar op een gegeven moment voelt in het eigen lichaam: een gewricht dat je nooit helemaal op slot zet, een ademhaling die nooit tot de laatste kubieke centimeter longinhoud wordt volgezogen. Fang song — ontspannen, maar niet slap — bestaat bij de gratie van die marge. Vul een beweging helemaal tot de rand, en er is geen kant meer op. Laat een beetje ruimte, en er blijft altijd nog een volgende stap mogelijk.
Dat is denk ik de kern van wat die Chinese gastheer eigenlijk zegt, wanneer hij zijn overvolle tafel wegwuift als "niks bijzonders." Hij houdt, symbolisch, een beetje van de beker leeg. Niet uit valse bescheidenheid, maar omdat een kopje dat nooit helemaal vol is, het enige kopje is dat je nog kunt bijschenken.